Iedere verteller weet: een goede spanningsboog is het halve werk. Of het nu een ontluikende idylle is, een queeste naar een mysterieuze schat, een who done it of een coming of age, wek nieuwsgierigheid op bij de lezers en het verhaal loopt als een trein. Zeker als je dan ook nog eens elk hoofdstuk laat eindigen op een cliffhanger van formaat. Als ik zelf verhalen ga vertellen is dat dan ook het eerste waar ik over nadenk: welke boog ga ik spannen om de luisteraars mee te lokken? Dat een goede schrijver echter helemaal geen spanningsboog nodig heeft, toon Elizabeth Gaskell aan met Cranford (1851). Een heerlijk boek over het leven in een popperig Brits dorpje, waar blijkbaar alleen dames op middelbare leeftijd wonen. Ze breien, ze drinken thee, ze houden elkaar in de gaten en ze hebben heel veel werk met het naleven van ongeschreven regeltjes. Die regeltjes zijn trouwens vrij hilarisch. Zo is het bijvoorbeeld echt niet de bedoeling dat je laat merken krap bij ...