Toen de theetante nog studeerde (lang, lààààààng geleden) betrok ze een geweldig kot. Dit knusse optrekje was centraal gelegen aan een levendig plein. Bovendien beschikte het over een erker: een elegant architecturaal uitstulpsel dat het mogelijk maakte om quasi ongezien de massa te observeren die dagelijks voorbij trok, op weg naar leslokaal, bibliotheek of café. Vaak ging de theetante er bij wijze van blokpauze even voor zitten, met een kopje thee uiteraard. Vol goedkeuring blikte ze dan neer op naarstige vorsers met dikke stapels boeken onder de arm. Op druk discussiërende professoren. Op politiek bevlogenen met pamfletten. Of op dolverliefde koppeltjes die elkaar tegemoet renden. Het leven zoals het is, als het ware life onder het eigen raam! Maar, er was één type passant waar de theetante een grondige afkeer van had: de slenteraar, de flaneur, oftewel de “lummelaar”. Lieden, wars van elk tijdsbesef, die over het trottoir schreden als waren ze hun eigen éénmans-processie. Die ...