Zaterdag was ik op een feestje. Nou, ja, feestje, noem het maar een "festiviteit". Wegens gesitueerd in een smaakvol herenhuis, met kristallen luchters en brokaten gordijnen. Waar het wemelde van de vriendelijke professoren, van dames met parelkettinkjes, heren met managementservaring en zowaar een minister van Staat. Ondergetekende was ook aanwezig. Vooral lijflijk dan. Met barstende hoofdpijn en een geforceerd lachje. "Flets" placht men zoiets al eens te noemen. Geen bron van sprankelende conversatie, kortom. Maar wel met nog nèt voldoende empathie om instemmend mee te knikken of verbijsterd de ogen open te sperren, al naargelang de intonatie der gesprekspartner. En dat is al heel wat. In een roman zou dit optreden op z'n best één zin waard zijn. (Tenzij de muurbloem in kwestie natuurlijk behept is met een rijk intern leven, en een scherpe geest bezit vol rake observaties of snode plannen. Doch dit kon van mij die avond niet gezegd worden. Observeren, to...