maandag 27 januari 2014

Onder vrienden (Amos Oz): leve het dorp?

O, wat hou ik van de stad! Van de snelheid en de energie die er rond raast. Van de grootse gebouwen en brede lanen in de schaduw van lindebomen. Van flaneren en terrasjes doen. In de stad is er  altijd wel iets gaande, ontmoet je telkens weer andere mensen en is geen dag hetzelfde. Leven in een stad verveelt me nooit.

Toch is de stad me af en toe te druk. Te vuil en vooral te complex. Dan snak ik naar rust, naar overzichtelijkheid en eenvoud. Naar puurheid en ademruimte. En omdat een mens nu eenmaal graag in tegengestelden denkt, verbind ik die kwaliteiten met "het dorp". Idyllisch oord van kalmte en traagte. Waar iedereen elkaar kent en steunt. Waar het leven nog mooi is, gemakkelijk en zonder zorgen.

Pure nostalgie natuurlijk. Een vertekend beeld. Want, wat weet dit stadskind nu van het leven in een kleine gemeenschap? Het dorp in mijn hoofd is een droom, een idylle van eendracht, eenvoud en compassie. En, zoals Marco Borsato het al treffend formuleerde: "de meeste dromen zijn bedrog".

Maar rooskleurige visies op het "eenvoudige buitenleven" inspireren mensen al eeuwenlang. Het idee dat we zouden kunnen terugkeren naar een gouden tijd, toen mensen nog alles met elkaar deelden, formuleerde Cicero al in de Romeinse tijd. En ook de communisten droomden van een nieuw begin en de terugkeer naar het dorp. Dit gedachtegoed kreeg in Israël gestalte in de kibboets, waar de inwoners samen leefden in een staat van soberheid en eenvoud. Alles zouden ze delen en geluk zou hun deel zijn.

In Onder vrienden neemt Amos Oz ons mee naar zo'n kibboets in de jaren vijftig. Waar de inwoners een duidelijke taakverdeling hebben in functie van het algemeen belang. Eten doen ze samen in de eetzaal, er is elke week wel een bestuursvergadering waar men democratisch beslist over de toekomst, en de nachtwake wordt per beurtrol gehouden. Idyllisch? Misschien, maar ook beklemmend, zoals een aantal personen in deze verhalenbundel aan de lijve ondervinden.

Want er bestaat nu eenmaal een grote spanning tussen gemeenschappelijkheid en individualiteit.  Het "algemeen belang" is immers een gemene deler, waar niet iedereen zich in herkent. En ondanks al het idealisme, toch verlangen de inwoners ook naar hun eigen "hoekje". Ze willen ook hun eigen leven kunnen sturen, al is het maar door accenten te leggen. En dat wordt in de kibboets wel eens erg moeilijk. En dan dringt de vraag zich op: hoever kan je gaan in het opleggen van regels en principes om een hoger doel te realiseren? Hoe lang zijn wetten en afspraken nog inspirerend? Wanneer beginnen zij te knellen?

Zo is er het trieste verhaal van een vader die elke avond zijn zoontje naar het kinderhuis moet brengen. Het is immers de afspraak dat kinderen niet bij hun ouders thuis slapen. Maar vader en zoon lijden intens onder deze regeling. En dan is er de briljante student die niet mag kiezen welke studierichting hij uit zal gaan. Kiezen voor vrijheid betekent breken met de familie. Een haast onmogelijke keuze.  Een andere jongen kijkt uit naar een bezoek aan de stad. Als men hem vraagt: "Wat is daar dan dat we hier niet hebben?" luidt zijn antwoord: "Vreemden".

Het boek zit vol prachtige verhalen. Over verborgen liefdes en grote idealen. Maar ook over de kleine kantjes die iedereen heeft en die zelfs in zo'n idealistische gemeenschap boven komen drijven. Afgunst bijvoorbeeld, of geroddel. En het leuke is ook dat personages uit het ene verhaal plots het andere verhaal kunnen binnenwandelen. En dan toch weer een beetje een andere "laag" krijgen, of in elk geval een ander perspectief. Fijn!

Kortom: een heerlijk bundeltje verhalen, vol idealen en vol menselijkheid. Om langzaam te lezen en lang over na te denken!

zondag 19 januari 2014

Montaigne en de kunst van het “misschien”.




We leven in een wereld waar iedereen meteen een oordeel klaar heeft. Waar er grote stelligheden heersen. En waar het o, zo moeilijk is om op een standpunt terug te komen. Traag een mening vormen, nadenken, peinzen, is dan niet zo gemakkelijk. Zeker niet als je vooruit wil en wil “scoren”. Dan moet je zelfverzekerd zijn, op tafel kloppen en vooral: niet toegeven.

Beste lezer, laat het duidelijk zijn, op dit domein faal ik radicaal! Ik ben iemand die wikt en weegt, en erg lang de kat uit de boom kijkt.  En dus ben ik nooit degene die metéén een vlijmscherpe vraag klaar heeft na een betoog. Of die snel en genadeloos in de aanval gaat. Ik moet er altijd eerst lang over nadenken, voor ik met een mening kom. En als ik, na lang mijmeren, een oordeel heb, dan zal ik nog altijd  “misschien” zeggen en “dat denk ik tenminste” (zelfs als ik er behoorlijk van overtuigd ben). Ik aarzel, ik twijfel en ik drentel.

Lang heb ik dit van mezelf zwak gevonden. Trage twijfelaar! riep ik mezelf toe, hak de knopen nu eens door. Wees nu eens sterk, doortastend, zelfverzekerd. Aarzel niet zo! Ik heb mezelf proberen te trainen: laat die “misschiens” achterwege, zeg toch niet steeds “tja, dat is mijn visie”. Laat geen achterpoortjes open. Het was tevergeefs.

Maar, sinds deze week weet ik dat ik niet alleen sta. En dat twijfelen eigenlijk ook een kunst is. Michel de Montaigne was er immers ook goed in en stelt dat aarzelen het begin van alle wijsheid is. “Que scais je?” was zijn motto: wat kan ik nu eenmaal weten vanuit mijn perspectief? En: “een gezond en bezonnen oordeel is belangrijker dan een vlug begrip”. Daarom liet hij mensen wachten op een antwoord, vormde hij zijn mening langzaam en schortte hij zijn oordeel op. 

Hij schiep ook letterlijk afstand van zijn drukke politieke werk door een achterkamertje te installeren in één van de torens van zijn kasteel. Daar kon hij zich terugtrekken, nadenken, en vooral: alles vanuit een ander perspectief bekijken. Want maar al te vaak bekijken mensen een kwestie enkel vanuit hun eigen standpunt, en laten dan geen ruimte meer voor een andere interpretatie. Een definitief antwoord is onmogelijk, en ook grote autoriteiten kunnen de plank flink misslaan. Behoud dus een zekere afstandelijkheid zodat je nooit vastloopt in een gefixeerd oordeel! Trek je terug uit de drukte en gun jezelf zo’n achterkamertje waar je ongestoord kunt nadenken.

In die torenkamer, ver weg van het politieke leven,  schreef Montaigne zijn twijfels neer. Hij noemde zijn werk bewust “essays”: probeersels, die hem toelieten voorlopige conclusies te trekken. Voorlopig, inderdaad, want een mens kon veranderen en meningen kunnen dus wijzigen. Er is geen zekerheid, er zijn alleen perspectieven en interpretaties. Wetten zijn conventies, cultuur is aangeleerd, wijsheid is relatief. Die zeer persoonlijke manier van schrijven leverde verbazend eerlijke, maar ook zichzelf tegensprekende teksten op die bij de hedendaagse lezer nog steeds een zucht van herkenning opleveren.

Dat beweert Sarah Bakewell tenminste in haar lijvige biografie van Montaigne. Een meesterwerk, waarin ze net alleen het doen en laten van Montaigne zelf schetst, maar ook aangeeft hoe latere lezers zijn werk hebben gelezen, en geïnterpreteerd. Boeiende lectuur is het, vol interessante historische achtergronden (over de godsdienstoorlogen in de 16de eeuw, de ontdekking van Amerika en het reizen op de rug van een ezeltje), en vooruitblikken naar latere lezers als Virginia Woolf en Stephan Zweig.

Dit boek werd me aangeraden door Joke en Anna, naar aanleiding van Virginia Woolfs “a room of one’s own”. Virginia was immers een fan van Montaigne en volgde zijn raad op om jezelf een achterkamertje te gunnen. Waar je vanop afstand en ongestoord langzaam een mening kunt vormen en stil kunt staan bij wat echt belangrijk is. Ja, de parallellen dringen zich inderdaad op en dames, het mag gezegd: dit was een schot in de roos. Ik ben nu wel erg nieuwsgierig geworden naar het werk van Montaigne zelf. Want dat zal me vast ook kunnen bekoren. Denk ik toch. Misschien.

zaterdag 11 januari 2014

Het ongrijpbare meisje: milde gaven

De voorbije weken heeft ondergetekende weer heel wat milde gaven mogen uitreiken en ontvangen. Mensen wat een vreugde! Van glanzend inpakpapier tot lintjes, over blijde gezichten en jubelkreten: het was er allemaal.

Zodoende vergaten we  dra de helse queestes die aan dit feestelijke moment vooraf waren gegaan. Waarbij we - door wanhoop gedreven - van winkel tot winkel dwaalden en mentaal de lat steeds hoger legden. Na het minitieus inpakken en afrekenen sloeg bovendien steevast de twijfel toe: zou het wel goed zijn?

Het wàs goed. En we voelden ons weer zinvol. Want, we waren schatplichtig aan een oeroud ritueel: dat van de geschenkuitwisseling. Een wonderbaarlijk gebeuren waarbij twee partijen hun erkentelijkheid uitdrukken middels een symbolisch object: het cadeau. De waarde van dit geschenk is daarbij moeilijk uit te drukken. Meer dan over materie gaat het om gevoelens van liefde,  waardering en vertrouwen.

En al knielen we doorgaans niet meer plechtig bij het overhandigen van dit offer, toch moet het onze nederigheid en dienstbaarheid tonen. Want in principe verwachten we immers niets terug.

Hoewel

Ook in antropologische tijden, en nog lang daarna, waren geschenken niet helemaal vrijblijvend. Men bood ze aan in de hoop op wederkerigheid. In ruil voor de gave zou ooit iets terugvloeien, was de verwachting. Of dat nu erkentelijkheid zou zijn, raad en daad of een ander geschenk. "Do ut des", zei men in de middeleeuwen: "ik geef opdat gij zou geven". Nu of later, dat maakte daarbij niet uit. Men had nog geduld in die dagen.

Maar ook in commerciële en rationele tijden als vandaag verwachten we niet dat de wedergift ons geschenk onmiddellijk en volledig terugbetaalt. Het flesje wijn hoeft het dinertje niet te dekken. Maar het moet er eigenlijk wel zijn. Als symbool van dankbaarheid. (En bovendien geeft het je iets te doen bij het binnenkomen).

Totaal onbaatzuchtig geven en blijven geven is daarentegen nogal ongewoon.  Als een vriendin al vijf keer op de thee kwam, al je koekjes opsmikkelde en je nooit terugvraagt, dan weet je het wel. Dan blijft de deur dicht en de theepot in de kast. Wil de gastvrouw niet aan innerlijke twijfel ten onder gaan, tenminste. Tot onbeperkte edelmoedigheid zijn weinig mensen in staat. Ook al beweren we stellig dat geven fijner is dan ontvangen: er zijn grenzen.

Echte ontbaatzuchtigheid is zeldzaam. Niemand stort graag in een bodemloze put. Maar sommigen delen hun vriendschap, geld en liefde met anderen, zonder verdere verwachtingen.  Ricardo bijvoorbeeld, de hoofdpersoon in Het ongrijpbare meisje. We lazen het met ademloze verbazing.

Bestemmeling van al zijn aandacht, geschenken en liefde is "het stoute meisje". Een raadselachtige dame die vlotjes van identiteit, naam en uiterlijk verandert en in zijn leven opduikt als het haar belieft. Gemiddeld één keer per decennium klopt ze bij hem aan. Onverwacht. Onherkenbaar. Onverzadigbaar. Om na een tijdje weer even snel te verdwijnen. Telkens laat Ricardo alles voor haar vallen, hoewel hij weet dat hij uiteindelijk met lege handen zal staan. Geen wonder dus dat ze hem spottend "een heilige" noemt.

Wat een ontzettend romantisch boek was dit. En dan in de goede zin van het woord natuurlijk. Geen maneschijn, vioolklanken en smachtende blikken, maar wel pure, onvervalste en onbaatzuchtige liefde. Helaas eenrichtigsverkeer, want je gunt Ricardo zoveel meer. Zijn gevoelens voor het "stoute meisje" gaan zo diep dat hij telkens alles voor haar opoffert. Dankbaarheid: nihil.

Het is een liefde waar geen redelijkheid tegen opgewassen blijkt, en die niet uit te leggen valt. Liefde die alles omver gooit, keer op keer. Liefde waar niets tegen te beginnen valt en die niet in te dammen is. Redeloos en radeloos. Prachtig!

Bovendien is dit een heel sfeervol verhaal. Dat ons meeneemt naar de jaren vijftig in Parijs, laat kennismaken met de hippies in London en het decadente Tokio in de jaren '80. Elk deel van dit boek start immers in een ander tijdperk, op een andere plaats en met andere nevenpersonages. En steeds ontmoet de brave Ricardo uiteindelijk het stoute meisje. En zet ze zijn leven opnieuw op losse schroeven...

Een boek dat ik ademloos heb uitgelezen. En dat dus zeker op mijn lijstje komt van "boeken die ik ooit eens aan iemand cadeau wil doen". Want mooie leesmomenten ten geschenke geven, dat is toch een bijzonder milde gave, niet? En neen,voor deze gouden leestip hoef ik niet meteen iets terug, beste lezer. Beschouw het maar als een teken van dankbaarheid dat u ook dit blogbericht weer uitgelezen heeft!

zaterdag 4 januari 2014

A room of one’s own: de lof der ledigheid


Op een blauwe maandag volgde ik eens een cursus economie (inleiding tot de). Buiten de wet van vraag en aanbod, is er niet veel blijven hangen, vrees ik. Maar het begrip “schaarste” bleek een voltreffer. Wat zeldzaam is, is gewild. Al is het maar als statussymbool. En dus is het altijd een slimme zet om schaarste te creëren.

In deze overvloedige tijden lijkt er amper schaarste te bestaan. Toch is er één ding dat steeds moeilijker te vinden is, en dat is: leegte. Het is gewoon een kwestie van tijd voordat mensen tegen elkander gaan pochen dat ze zoveel tijd hebben, in plaats van dat “druk, druk, druk” de leuze is. Je ziet de eerste tekenen al opdoemen. Verveling is door Joke Hermsen en anderen al verheven tot dé kiem van de creativiteit. Gedwongen tot nietsdoen komt een mens al eens op een goed idee. Serendipiteit, jawel. 

Een overvloed aan impulsen en prikkels laat mensen dromen van luieren, rondhangen en vervelen. En zo komt ook het eens zo verfoeide “ledigheid” (des duivels oorkussen, weet u wel) opnieuw in het vizier. Het allerbeste pleidooi voor die ledigheid werd meer dan 80 jaar geleden op papier gezet door Virginia Woolf met A room of one’s own”.

Aanleiding was de vraag waarom vrouwen anno 1928 zo weinig actief waren als schrijver of columnist. De gangbare opinie was dat dames nu eenmaal minderwaardig waren en niet genoeg boeiende gedachten hadden om bladzijden mee te vullen. Een grove miskenning, maar op dat moment blijkbaar nog steeds bon ton.

Virginia laat het daar niet bij zitten en graaft dieper. Waarom produceren vrouwen minder tekst? Omdat ze er geen kans toe krijgen. Vrouwen hebben zelden een half uur helemaal voor zichzelf. Want er is altijd wel een kind, echtgenoot of dringende afwas die voor afleiding zorgt. Wat zij nodig hebben is een eigen kamer (met een deur en een slot) en vooral ledigheid (idleness).

Die ledigheid is niet gelijk aan de vandaag zo bejubelde “verveling”; geen lamlendig gelummel bij Woolf. Wel staat het voor mentale ruimte om ongestoord door te denken. Om te mijmeren en te redeneren. Om het eigen leven van een afstand te bekijken en scherper te kunnen zien. Ledigheid in de ware betekenis van het woord is “leegte” oftewel gebrek aan afleiding. En Woolf verbindt het met begrippen als “contemplatie” en “reflectie”.

Om dit te kunnen doen heeft men tijd en ruimte nodig. En bovenal de mogelijkheid om zich even terug te trekken uit de drukte. Op een lange wandeling bijvoorbeeld, of in een stille kamer met de deur op slot. En dat niet-bereikbaar zijn vraagt heel wat zelfdiscipline, vandaag misschien meer dan ooit. Afzetten dus die telefoon, weg van het internet, uit die radio! Gedachtenstromen bereiken pas diepgang als ze niet worden afgeleid.

Gun uzelf dus wat meer ledigheid. En gebruik die niet om in een hangmat naar de zonsondergang te staren, of om u stierlijk te vervelen, maar  wel om diep in een tekst te duiken. Wat met “a room of one’s own” een waar genot is. Want al is dit een tekst uit een andere tijd, Virginia’s betoog is glashelder, snedig en scherp: het sprankelt van de eerste tot de laatste pagina. 

Woolf neemt de tijd om haar mening langzaam te vormen, met omwegen, meanderend en mijmerend. En wij wandelen met haar mee, langs kleine riviertjes en door de drukke stad. We zijn erbij als ze in de British Library op haar boeken moet wachten en tekeningetjes in haar notaboekje maakt, of als ze een lunch bestelt in een klein Londons etablissement. We horen haar in zichzelf mompelen, steeds weer nieuwe vragen opwerpen, niet te snel tevreden met het resultaat. We kijken ademloos over haar schouder mee als ze aarzelend de eerste woorden op papier zet.

En geweldige leeservaring, die ons meeneemt in haar stream of consciousness, en die naast een eerlijke zoektocht en ruime twijfel, rake dingen bevat over de specifieke rol van de vrouw, over de angst van de mannen en over het ook toen al gejaagde leven in de stad.

Een boek om regelmatig te herlezen. Een pamflet. Een inspiratiebron. 

Ik roep bij deze 2014 uit tot het jaar van de ledigheid: niet van verveling, en luilakkerij, wel van reflectie en mijmering. De eerste stap die ik zet? Ervoor zorgen dat ik niet meer altijd en overal mijn werkmailtjes kan bekijken. Daarnaast ga ik lange wandelingen maken. En die eigen kamer met dat slot: die volgt hopelijk ook nog een keertje!