zondag 28 juli 2013

Dubbelop: generaties




Een boek is niet afgelopen als je de laatste pagina gelezen hebt. Want na het dichtslaan van de kaft, werkt een goed verhaal altijd nog even door. Het kleurt je blik, dwaalt nog even door je gedachten. En ongemerkt beïnvloedt het ook de lectuur van het volgende boek. Zo bouwt de ware lezer haast ongemerkt bruggetjes tussen leeservaringen (wat meteen ook verklaart waarom een verhaal bij tweede lezing helemaal anders kan lijken).

Omwille van bovenstaande overtuiging, en omdat ondergetekende op vakantiedagen veel tijd heeft om te lezen (en minder gelegenheid tot bloggen), bespreek ik vandaag twee boeken waartussen ik op warme dagen mentaal een draadje heb geweven.




Skippy tussen de sterren speelt zich af op een Ierse kostschool en voert de lezer genadeloos terug naar de pubertijd. Jongens vol hormonen zijn de hoofdrolspelers. Zij zijn bikkelhard voor elkaar, maar kunnen ook nog vaak heel kinderlijk wegdromen. Dat ze een grote uitvinder zullen worden bijvoorbeeld, een beroemd muzikant (of gewoon een meisjesmagneet zullen zijn). Eén van hen, de Skippy uit de titel, gaat op de eerste pagina al dood. Wat volgt is een soort collage van gezichtspunten, waarin zowel medeleerlingen als volwassenen aan het woord gelaten worden over wat er nu precies allemaal is gebeurd. 

Klinkt vermoeiend, maar dat valt reuze mee. Dit boek leest vlot, maar is bij momenten ook zeer plat en grof. En veel en veel te dik naar onze zin. Dat we het toch uitlazen heeft veel te maken met de rol van de geschiedenisleraar in het verhaal. Zelf een halve puber (zoals ongeveer alle onverantwoordelijke volwassenen in dit boek), maar wel iemand die een mooie les leert. Als je het verleden tastbaar wil maken voor een bende onverschillige adolescenten, focus dan op het kleine verhaal, het tastbare in plaats van op de grote lijnen uit de historische tijdslijn. Het boek bevat een werkelijk schitterende passage waarin hij dit toepast op de eerste wereldoorlog. Dead poets society, maar dan nog een beetje beter!

Een van de personages in Skippy zegt dat de pubertijd een periode is waarin je steeds meer deuren dicht doet. Steeds meer paden die je niet meer zal betreden, steeds meer dromen die nooit waar zullen worden.  En dat is nu net waar de personages uit Blindgangers ook mee worstelen. 

Veertigers zijn het, en oude vrienden die elkaar ontmoeten in een vakantiehuis voor wat een gezellig weekendje weg moet worden. Allemaal zijn ze vastgelopen op werk- of privégebied. Zij hebben soms al te veel deuren dichtgedaan, te veel paden bewandeld die dood zijn gelopen. Zo werden ze heel wat illusies armer, en ook wat cynisme rijker. Gezellig wordt het dus niet, maar boeiend wel.

Want gaandeweg ontspint zich een discussie over hoe ze nu verder moeten. Een deel van de groep is van mening dat ze bereikt hebben wat ze wilden: een carrière, een mooi huis en heel wat comfort. Achteroverleunen en genieten, is hun motto. Hedonisme zonder ethiek hun leuze.

Anderen hebben echter heimwee naar hun vroegere clubje. Dat nog idealistische debatten voerde en nog ergens voor wilde strijden. Waarom toch die zelfgenoegzaamheid en die constante nadruk op genieten. Er moet altijd maar gelachen worden, maar is het niet beter om ook af en toe ernstig te zijn en een balans op te maken. Nooit blasé zijn, maar steeds opnieuw verwonderd en verontwaardigd zijn, dat is volgens hen het ware leven. 

Joke Hermsen heeft deze en andere filosofische overwegingen subtiel door het boek verweven. Daardoor wordt het nooit zwaar op de hand. Ook al zit er heel wat tijdskritiek in, bijvoorbeeld op de internetneurose van de mannen in het gezelschap. Want hoewel de communicatiemiddelen zijn toegenomen, lukt het de hoofdpersonen steeds minder om ook echt naar elkaar te luisteren.

Een ontspannend boek dus, zonder meer. Over hoe mensen zichzelf steeds opnieuw in vraag stellen, of dat toch zouden moeten doen. Kortom: de midlifecrisis als een tweede pubertijd en als een moment om gesloten deuren weer open te maken! (of denk ik dat nu alleen maar omdat ik eerst Skippy heb gelezen?)

zondag 21 juli 2013

Een zee van tijd



De voorbije week brachten we door op een chateau in Frankrijk, met veel middeleeuws moois in de omtrek, maar ook met zalige ligstoelen onder forse lindebomen. Terwijl de kinderen met kleine katjes rondzeulden, of spetterden in het zwembad, had ik uren tijd om na te denken, te dromen en te lezen. Op vakantie mogen de dingen tijd kosten, een grote luxe, die ik me niet altijd veroorloven kan. En zo gleden de dagen in een tijdloze stroom voorbij en hebben we weer genoten van eenvoudige dingen.

En op die mijmerende momenten had ik een ideale reisgezel meegebracht. “Liefde” het tweede deel van Karl Ove Knausgards, Mijn strijd. Net als het eerste deel een meditatief ritme van zinnen en gedachten ditmaal over de relatie met zijn vrouw en zijn gezin. Vol details over dagelijkse beslommeringen en conflicten maar beschenen met een bijzonder licht. Niet flatterend, niet verbloemend, maar open en eerlijk. Opnieuw een wonderlijke leeservaring.

De reeks “mijn strijd” is een experiment, een poging om zin te geven aan een leven vol banaliteiten, een bestaan dat nooit helemaal is zoals de schrijver eigenlijk zou willen. In dat leven zoekt hij (soms moeizaam) een balans tussen tegenstrijdigheden. Ik haal er in dit blogje even drie uit.
  

1.       De balans tussen gelijkheid en ongelijkheid. In dit boek vertelt Knausgard hoe hij als vader van jonge kinderen enige tijd thuis bleef om voor hen te zorgen. Zo wil de Zweedse cultuur dat, want man en vrouw zijn volledig gelijk. Karl Ove gaat in theorie met dat argument akkoord, en ververst dus eindeloos veel luiers, gaat met borelingen naar de babygym en rijdt met kinderwagens rond. Maar diep in hemzelf vindt hij dit maar niets. En vraagt hij zich af of we door gelijkheid te willen, niet heel veel kostbaars weggooien. Leidt te veel gelijkheid niet tot een soort nihilisme, dat alles onbelangrijk maakt? Maar is teveel verschil uiteindelijk niet ook onleefbaar en onrechtvaardig?

2.       De balans tussen deelnemen of terzijde staan. Het leven overvalt Knausgard vooral, de dagelijkse klussen zijn veeltallig, de vriendenkring rijk gevuld. De schrijver kookt, maakt schoon, en animeert het gesprek, en stelt vast dat hij zo niet hoeft na te denken. De eigenlijke betekenis van het leven ziet hij enkel van op afstand, als hij zich terugtrekt om te lezen of te schrijven. Als hij er dus even buitenstaat en niet wordt meegesleept . Maar het één heeft het ander nodig, afzondering en betrokkenheid gaan hand in hand.

3.       De balans tussen sociaal succes en eigenzinnigheid. Karl Ove geeft het in dit boek eerlijk toe: hij wil het anderen altijd graag naar de zin maken. En dan cijfert hij zichzelf gemakkelijk weg. Hij deelt de mening van zijn vrienden, werkt zich uit de naad voor zijn moeder en zou alles doen om conflicten te vermijden. Maar dit wringt. Want ergens is hij onoprecht. Alleen als hij schrijft kan hij de anderen loslaten en voelt hij de vrijheid om uit te drukken wat hij eigenlijk denkt en voelt. Maar in alle eerlijkheid over vrienden schrijven levert ook weer conflicten op. Is vrijheid dan echt onmogelijk?

De strijd van Knausgard is dus een constante evenwichtsoefening tussen afstand en nabijheid. En dit verpakt hij in soepele zinnen met een aangenaam tempo. Ideaal om zelf even afstand te nemen van het dagelijks leven en weer te zien wat belangrijk is. 

Het derde deel, Zoon, gaan we dus ook zeker nog eens lezen. Maar dat zal nog wel eventjes duren, want dit boek was wel erg dik. En op het einde hadden we toch ook wel even genoeg van het getob en gezwoeg van onze Karl. Even een ademruimte inlassen lijkt dus aangewezen, maar dan gaan we er weer voor, want we blijven fan!

En voor wie ook fan is: dit interview met Knausgard is beslist de moeite van het bekijken waard!

dinsdag 9 juli 2013

Perspectieven


Sommigen lezen ter ontspanning. Ter ontsnapping aan strijk en andere ellende. Ter afleiding van dagelijkse besognes als kruimels op het tafelblad. Het is hen van harte gegund.

Maar deze blog is begonnen om bruggen te bouwen tussen lezen en leven. Om verder te kijken en dieper te graven. Om – via een omweg – juist over jezelf na te denken. Literatuur als perspectief dus. Schrijvers die je anders laten kijken naar wat je al zo lang kent. Dat is dan meteen ook een criterium: een boek dat die gelaagdheid niet heeft, belandt niet op deze pagina’s.

Daardoor blijft het soms eventjes stil: de lat ligt hoog. Maar deze keer presenteer ik u met vreugde een boek dat de test glansrijk heeft doorstaan. En dat een ander perspectief nemen, het kijken met andere ogen, juist als thema heeft.

Barnes verwelkomt zijn lezers in deze bundel met een zinderende schets van Parijs anno 1860. De fotograaf Felix Nadar portretteert de ene bekende Fransman na de ander. Op onnavolgbare wijze. “Fotograferen leer je op een namiddag”, meent hij, “de techniek althans. Voor de psychologie van een portret heb je een geoefend oog en een leven lang kijken nodig”. En juist dat kijken inspireert hem tot een tweede passie: de luchtballon. Zweven boven de wolken is een bijzondere manier van afstand nemen en laat ons toe een nieuwe blik te werpen op de wereld. En Nader is de eerste die fotografie en luchtvaart combineert. Hij voegt twee dingen samen en de wereld verandert.

Ook de grootse diva Sarah Bernhardt was verzot op luchtballonnen. Het tweede deel van de bundel gaat over haar en één van haar vermeende minnaars: de ballonvaarder Burnaby. Bernhardt was wispelturig en haar liefde niet standvastig. Zo verzucht Barnes: “Elk verhaal van liefde is potentieel een verhaal van verdriet. Zo niet onmiddellijk dan wel later!” Een luchtballon laat je dan wel zweven, maar moet ook naar beneden. En dan is het de keuze of je verbrandt of neerstort, zoals Burnaby ondervindt.

Ook Barnes heeft onzachte landingen aan den lijve ondervonden. Zijn vrouw stierf en de wereld veranderde voorgoed. Zijn rouwproces is als de vlucht in een luchtballon: soms weet de aeronaut niet of hij nu vooruit gaat, stilstaat, stijgt of daalt. Een prachtig, zeer gevoelig relaas van het grote verdriet dat toch vooral schuilt in kleine dingen. In gedeelde woordenschat. In alleen naar huis gaan na een avond uit. In dingen voor de eerste keer ondernemen zonder haar. Bitter eerlijk, adembenemend. Een klein pareltje, dit boek. 

Ook één waar je niet meteen grip op krijgt. Want wat zijn nu de linken tussen de verhalen? De luchtballon metafoor (stijgen - gelukzalig rondvliegen- hard neerkomen) ligt zo voor de hand, lijkt zo gemakkelijk. Pas na het lezen van weer zo’n mooi blogje van Kim waar ik een verwijzing vond naar een boeiend interview met Barnes, begon het me te dagen: de verschuiving van perspectief, daar gaat het om.

Verder zien dan iemand ooit deed en de wereld voorgoed veranderen door een nieuwe blik. Het is een thema dat Barnes al eerder bespeelde in “Alsof het voorbij is” en dat ook in dit boek zeer subtiel verweven is. 

Dit is groots!  Dit soort boeken laat ons zweven!

donderdag 4 juli 2013

Genieten?!



Het is zomer, nou ja, een beetje. De schoolpoort is gesloten, de kinderen kunnen buiten spelen en uitgeputte moeders drinken liters oppepthee. Niet bepaald het moment voor diepgravende lectuur dus, maar eerder voor zonnige romans vol zomersproeten, zwembadgespetter, zwoele briesjes en happy endings. Daar hadden we nou echt eens zin in. 

Maar, helaas! Dat was buiten de leesclub gerekend. Die had zich immers voorgenomen een maatschappijkritisch epistel te doorploegen en de hedendaagse samenleving grondig onder de loep te nemen. Zucht.  Identiteit van Paul Verhaeghe mag dan een luchtige kaft hebben, de inhoud is pittig, zwaarmoedig en licht deprimerend, laat ons eerlijk zijn. Niet iedereen had het boek dan ook uitgelezen. Maar discussiëren, dat zou wel lukken, dachten we.

En zo verzamelden de leesclubladies zich op een zomeravond op tantes terras. Met verse muntthee, veel cake en bergen snoep. Een zoete bedoeling? Pastelkleurig? Geenszins! Want we staken meteen fel van wal. De auteur van dit werkstuk gaat immers behoorlijk ongenuanceerd te werk. Kort door de bocht, en soms uit de bocht, vonden wij. Enige zeer kritische dames noemden het zelfs een blamage dat een wetenschapper een dergelijk ongefundeerd boek publiceert… 

Anderen, waaronder tante, tilden daar niet zo zwaar aan. Misschien is het wel nodig om te overdrijven als je mensen echt wil laten nadenken over wat er om hen heen gebeurt. Te veel nuances kunnen toch ook de kracht uit de boodschap halen? Dan maar liever een fel betoog dat mensen beroert, waar ze een beetje boos van worden. Want dan gaan ze nadenken, discussiëren en misschien verandert er dan wel iets.

Bon, waar gaat het over? Paul Verhaeghe bindt de strijd aan met het neoliberalisme: de rode draad in onze samenleving die we niet eens meer opmerken. Kort samengevat is dit een genadeloze survival of the fittist, waarbij het idee is dat iedereen het kan maken, als je maar je best doet. Een meritocratie ook, die loon naar werken geeft. En wie de norm niet haalt, heeft niet hard genoeg geprobeerd en valt dus ongenadig af. De loser!

De balans is zo doorgeslagen naar financiële winst, materiële voordelen en naar het individueel belang. Waarom zouden hardwerkende mensen moeten betalen voor luie werklozen die alleen maar hun hand op houden? Kortom: exit solidariteit en welkom "fopspeenjongeren” die denken dat anderen hun problemen wel zullen oplossen (want zij zijn immers het centrum van het universum, niet waar?).

De leesclubdames lazen met vreugde hoe Verhaeghe de cultus van de cijfers, de grafiekjes en de impactmetingen te kijk zet. Hoe hij de vloer aan veegt met kwaliteitszorgsystemen die eigenlijk alleen winst nastreven. En hoe hij de vele ADHD-diagnoses ridiculiseert.

Want ja, wij voelen ook de druk om alles te becijferen. Alsof je zo de kwaliteit van een museum, een onderwijsinstelling of een ziekenhuis kan meten. Evalueren, reflecteren over je eigen werking, daar zijn we voor, maar je blindstaren op outputcijfers, dat is toch een brug te ver. 

Niet bepaald een jolig boek dus. Behoorlijk deprimerend zelfs als je leest hoe wij de speelbal zijn van allerlei industrieën die ons tot consumptie willen aansporen. Een wereld waar het onderlinge vertrouwen steeds meer wordt vervangen door contractjes en regeltjes. En door een immer uitdijende controledrang. Mensen voelen zich daar niet goed bij, zo blijkt. Hoog tijd dus om het tij te keren.

Want als er één positieve boodschap in het boek zit, dan is dat toch dat wijzelf de maatschappij zijn, en maken.  En dat we er zelf iets aan kunnen doen. Door wat meer begrip te hebben voor een ander. En door zelf maat te houden, een rem te zetten op de materiële hebberigheid. Bewust consumeren en inleveren is de boodschap, ten gunste van de hele maatschappij. De groeiende kloof tussen arm en rijk dichten, door een stapje opzij te zetten. Naïef? Misschien een beetje. Maar de huidige ecotrend (ook in supercommerciële grootwarenhuizen) laat zien dat het kan.  

Kortom, ondanks al onze kritiek biedt dit boek toch inspiratie om verzet te plegen. We gaan dus niet meer schaapachtig meelopen met impactmetingen en outputfinanciering! Verbeter de wereld, begin bij jezelf (of toch bij een boekenclub)!